LECTUUR BIJ ‘EENHEID IN VERSCHEIDENHEID'
Op het eerste gezicht een wat onbestemde man. Maakt een wat slordige indruk met zijn wat rossige sluike haar en zijn zwaaiende loop, handen in zijn ruime broekzakken. Hij gaat er wel van uit dat hij je iets te vertellen heeft. Hij heeft jou niets te vragen. Soms is hij even op de dag intens vermoeid. Als hij zijn lesuren als leraar tekenen achter de rug heeft, als belangstellenden uit het hele land zijn verhaal komen horen in zijn tuin, als de telefoon hem in zijn eigen woonkamer aanhoudend om reacties roept. Dan tref je hem aan, alleen, zittend in het midden van de kamer en luisterend naar een werk van Mozart. Hoewel de afspraak op de minuut is nagekomen, vraagt hij, onbedoeld op geërgerde toon, of je niet even kunt gaan zitten en niets zeggen. Of even in de tuin rondkijken. Hij luistert naar muziek als hij moe is van dat geklets. Of hij gaat fotograferen. Of schilderen. Of een meubel maken. Of hij gaat naar zijn stuk land, dat hij kocht twee jaar nadat hij zijn tegenwoordige huis had betrokken. Of hij gaat naar het 'object' in de Kennedylaan in Heerenveen : een tussen de huizenrijen gelegen strook grond van bij benadering 1500 bij 18 meter. Uitgaande van het principe van de diversiteit , werd deze reep onder leiding van Le Roy gevormd tot een voortdurend veranderende landschappelijkheid, waarin men wandelt en de op drie meter afstand voorbijrijdende of geparkeerde auto's niet opmerkt. Paden en doorsteken werden gemaakt waar de mensen die blijkbaar wensten. In het eerste stadium klonken er protesten van de omwonenden, die gapende kuilen vanachter hun vensters waarnamen, waarin enorme hoeveelheden puin en andere afbraakproducten en oude bromfietsen terechtkwamen. Het project vond niettemin doorgang, omdat Louis Le Roy de benoeming tot vice-voorzitter van de Heerenveense Culturele Raad aanvaardde op uitdrukkelijke voorwaarde dat hij dan niet alleen wilde praten, maar ook doen. wonderlijke rust Met de tuin bij zijn huis is het allemaal begonnen. De tuin van Louis Le Roy in Oranjewoud bij Heerenveen. Eind vorig jaar zocht ik Louis Le Roy andermaal op. Net als de eerste keer voelde ik in zijn met een grote verscheidenheid aan planten en struiken volgroeide tuin een wonderlijke rust en ook blijdschap, hoe banaal dat onder woorden gebracht, ook lijkt. Ik schreef : 'Ik zit op het ronde stenen tafeltje achter in de tuin, een verzonken, geheime hoek. Het is later op de middag. De temperatuur is aangenaam (erg hoog voor de tijd van het jaar). Rondom rijzen allerlei verkleurde en halfkale gewassen op. Overal liggen afgevallen bladeren, maar de tuin is nog zeer groen en dichtbegroeid. Er hangt een mildkruidige lucht die zich met de andere herfstgeuren vermengt. Vlak naast me hipt een mus op een tak. Iets verder klinkt getjilp. De wind ruist. Een kraai. Het is bijna stil in de tuin. Nu pas hoor ik van ver het geraas van de autoweg. Een knetterende brommer. Een sirene. Maar deze rijk begroeide vierkante meters bewoonde wereld lijken erg ver weg … Louis Le Roy heeft niet alleen een tuin waar gemiddeld per dag een dertig belangstellenden uit het hele land en ook uit het buitenland een bezoek komen brengen. Hij heeft ook, al dan niet officiële, bemoeienis met de stadsparken en dergelijke van Heerenveen, Kloosterburen, Akkrum, Hoogeveen, Purmerend, Zwijndrecht, Dordrecht, Rotterdam, Groningen, Enschede en andere plaatsen. Maar hij wil dat met nadruk niet tot zijn professionele bezigheden rekenen. Wie is hij dan eigenlijk ? Louis Guillaume Le Roy werd geboren in Amsterdam en is 47 jaar oud. Via de Koninklijke Academie voor Beeldende Kunsten in Den Haag verkreeg hij onderwijsbevoegdheid als leraar tekenen. De randstad werd hem te vol en als onder meer oud-lid van de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie voelde hij zich aangetrokken tot gebieden waar natuurlijke processen zich ongestoord kunnen afspelen. Hij ging in Friesland wonen en begon een reeks bezoeken aan Frankrijk die nu al ruim twintig jaar niet onderbroken is. Na elk bezoek komt hij terug met een dertig tot veertig gouaches. Dan heeft hij de energie voor dit specifieke facet van zijn creativiteit voor een jaar verbruikt. Dit werk hangt hij achter glas langs de wanden van zijn atelier, dat hij tegen zijn huis heeft aangebouwd en waarvan het glas over de volle breedte een ongehinderde uitkijk mogelijk maakt op de rijke begroeiing erachter. Zoals in het huis de vertrekken op een soms onverwachte manier in elkaar overgaan, zo is hier een geleidelijke overgang tussen het huis en de tuin. Wanneer we (dat zijn de door Le Roy's uitspraken in op beeldende kunst en architectuur gespecialiseerde bladen hevig nieuwsgierig gemaakte Amsterdamse tandarts, beeldhouwer en deskundoloog Max Reneman en ik) voor een gesprek bij hem komen, blijken de gouaches een kristallisatiepunt. We hebben in Nederland een cultuurwoestijn , zegt Le Roy. Hij wordt geconfronteerd met haast komisch tweestemmig gejamaar. Jawel, zegt hij, er zijn wel hele leuke plekjes. Dat ontken ik niet. En het licht is ook heel anders. Maar kijk, het is mij te groen. En het is maar een plekje af en toe. Terwijl Frankrijk een enorme diversiteit vlak naast elkaar heeft. Het is een veel mooier, gevarieerder land. En dan die dorpen, hé. De opbouw van de steden, hoe alles in elkaar grijpt. In Nederland zijn we te … het ergste is, dat het een degradatielandschap is. Dat leren we niet, maar je moet het als een degradatielandschap zien. - Wat verstaat u daaronder ? Iets dat nog gemener is dan erosie. Degradatie wil zeggen : een patroon van eindeloos weghalen van de grondstoffen die de aarde vruchtbaar maken . Je kunt dat niet tegengaan door eenzijdige bemesting , door te strooien met kristallen. Je haalt organische stoffen weg, je haalt bovendien in de ondergrond voedingsstoffen weg , in hoofdzaak kalk, maar ook andere, fosforstikstof, en die komen nooit terug! Een eindeloos degradatiepatroon dus, door die kunstmest. De landbouw zit gevangen in een economisch proces, die is geconditioneerd, door die kunstmest. Maar die conditionering wordt overal overgenomen! We ruimen alles op, we maken alles schoon en zetten alle levensprocessen op nul , in de waan het substituut te kunnen aanreiken. En dan krijg je zo het idee in Nederland dat de ene ingenieur de andere aan het werk zet. De ene maakt een fout, die de andere dan weer moet herstellen, en die maakt dan weer een andere fout. Want de kans om te kijken hoe het nu allemaal in elkaar zit, hebben ze nog nooit gehad, praktisch niet. Dat klinkt wel eigenwijs, dat weet ik , maar de hbs-er die tegenwoordig meer weet dan vroeger een Griekse filosoof, wordt voor hij even om zich heen heeft gekeken in een specialisme gestopt en verdwijnt in een statisch systeem . Hij is meteen geconditioneerd en hij duldt geen inspraak. - Maar kreeg u in uw tuin een grote diversiteit door hem te laten verwilderen? Verwilderen is natuurlijk onzin, net als die uitdrukking 'onkruid'. Daar praat ik helemaal niet over. Het zit zo : de natuur berust op een ordenend principe dat in de tijd functioneert. En het is een gesloten systeem. Elke ingreep daarin werkt verstorend. Toen ik negen jaar geleden met die tuin begon, was ik zeer pessimistisch en ik geloofde er helemaal niet meer in, maar ik wilde me er niet bij neerleggen. niets doen Er groeide toen alleen wat gras en een beetje rabarber. Het eerste wat ik deed was puin verzamelen om in die grond te werken, want de stenen moesten terug. Die halen ze er altijd uit, maar die zijn nodig voor de kalk en voor het vasthouden van de warmte, waardoor er gunstige microklimaten ontstaan. Daarna ben ik hoogteverschillen gaan aanbrengen. Dat is ook een voorwaarde voor diversiteit, om dat daardoor variaties optreden in de waterhuishouding in de grond. En om een begin te maken heb ik wat planten en struiken neergezet waarvan ik dacht dat ze het die eerste periode wel zouden doen. - U bent dus niet radicaal tegen bewerken van de grond ? Ik ben tegenstander van het verrichten van arbeid die door de natuur oneindig veel beter gedaan kan worden. Ik heb daarna niets meer aan die tuin gedaan. Ik heb een beetje de paadjes schoon gehouden, maar er is alleen maar gegroeid, en niets afgehaald, niets ! Dat is mijn enige werk : zorgen dat er niets afgehaald wordt. En nu is het een tuin met meer dan zeshonderd planten, waarvan sommige, naar ik niet anders wist, verdwenen waren. De planten volgden elkaar op , bloeien, groeien in een echte harmonieuze plantengemeen- schap. Op ieder moment is het er mooi. De diversiteit van een kathedraal. Ik ben lezingen gaan houden, toen ik gezien had dat het nog wel kon. - U bent dus niet pessimistisch meer ? Mijn wereldbeeld is nog triester dan dat van Ehrlich. Ehrlich heeft gezegd dat als wij morgen aan de dag de stupiditeit zouden erkennen van ons eenzijdige economische stelsel, dat deze economie puur een monocultuur van economisch denken is, dat als we morgen, maar dan ook mondiaal, dit waanzinnige systeem de rug toekeren, dat er dan maar een overlevingskans van 2% bestaat. Ik beweer altijd weer : het is al min 10. Dan kunt u zeggen, ja, die man is een pessimist. Dat ben ik helemaal niet, ik ben realist. Wat ik zeer bedenkelijk vind, is de mentaliteit die heerst op het niveau van verantwoordelijkheden van regeringspersonen. Daar hoor je altijd weer van die geluiden als : nou ja, kijk eens, totnogtoe is het altijd wel goed gegaan en we zullen de oplossing wel weer vinden. Die stemming hé, juist als je zegt dat je altijd gezond geweest bent, is de dag dichtbij dat je ziek wordt. Meneer, hoor je dan, totnogtoe is het probleem altijd opgelost, we hebben al veel van deze fatalistische berichtgevingen gehad, maar er komt wel een oplossing voor. U weet dat doctor De Veer in Rome gezegd heeft dat de overlevingskansen nog maar 35 jaar zijn en dat ook hij van oordeel is dat alleen de recalcitrante, of laten we zeggen de niet-meegaande, lerende mensheid en de koppige mensheid met enorme natuurlijke rampen misschien een andere weg kan vinden. Nu kun je wel zeggen, dat is een pessimistisch beeld, maar ik doe nu dit werk en ik ben dus realist, ik bedoel, het is geen theorie meer. verdienen Je wordt pessimistisch als je onmachtig bent. En dat willen ze graag. Men wil graag in de economie alle mensen onmachtig maken, men wil per decreet iedereen onmondig verklaren. We willen ieder creatief vermogen van de mens op nul schuiven, omdat er mensen zijn die om geldelijke redenen iets beter kunnen dan anderen. Wij zijn bezig een macro-economisch bestel, geconditioneerd op gebruikseconomie, als enorm log ding tussen de besloten economie van de natuur te schuiven. Aan die besloten economie valt geen cent te verdienen. We hebben een economie geconditioneerd, waardoor een bepaalde groep mensen veel kan verdienen. Onze wetenschapsmensen zijn ook geconditioneerd aan die economie. Ik accepteer van geen van deze mensen nog maar enige uitspraak. Op grond van het feit dat deze mensen menen - omdat er ergens een directeur van een bedrijf is die hun studie betaald heeft, waaraan ze hun gezag ontlenen - dat ze mij de wet zullen bepalen en uitmaken wat nu eigenlijk wel en wat niet wetenschappelijk is. Dat wil ik nu wel extreem zo stellen. Zoals ik nog wel meer extreem zal stellen. Het milieu wordt nu dermate geattaqueerd, dat al die publicisten die er al veel eerder voor waarschuwden, nu weer terugkomen en weerklank vinden en er een angstpsychose dreigt te ontstaan. En omdat er geen angstpsychose ontstaat, daarom vermoed ik dat men van hogerhand steeds maar dempt. We mogen wel massaal vermoord worden. Dat is nog rustiger dan wanneer er massaal een groep zou zijn die zou zeggen : nu willen we nog proberen voor een aantal generaties in de toekomst de leefmogelijkheden te behouden. Want het is wel zo natuurlijk, dat de aarde, hoe we hem ook beheersen en hoe we er ook mee bezig zijn, altijd degradeert. Maar dat is wel iets anders dan de waanzin die doctor Baart van de Esso aangeeft, als hij zegt dat binnen de komende tien jaar evenveel olie gebruikt gaat worden als tot op dit ogenblik in de hele geschiedenis is gebeurd. Dan moeten we dit olieverbruik wel meteen koppelen aan een gigantische toename van milieuverontreiniging. Want binnen die tien jaar worden ook alle afvalproducten in de lucht en in zee en op het land gelost. Maar dat vergeten ze liever. Ze zeggen alleen, nou ja goed, dan zijn de energiebronnen wat sneller uitgeput. massagraf Ik vind het gewoon ridicuul dat de westerse beschaving nog steeds niet wakker wordt. De aarde wordt steeds kaler, de woestijnen groeien, en ook dat is een cumulatief proces. Alleen de Kalahari is waarschijnlijk een oorspronkelijke woestijn, de andere zijn pas later ontstaan. We doen er niets essentieels tegen, maar er gaan wel ingenieurs de bodem van de zee onderzoeken om daar grondstoffen weg te halen. Al dat ongebreidelde, barbaarse consumeren van grondstoffen, dat gaat lijnrecht in tegen de wetten van de natuur. - We zijn nu bij een duidelijke eindfase van een heel proces. Het experiment met de tuin is niet uit de lucht komen vallen, maar u hebt met die bedoeling een huis met een tuin gekocht in Friesland. Hoe kwam dat ? U bent uit Amsterdam weggegaan. Ergens moet u een klap gehad hebben. Nee, ja, mijn hele leven is zo geweest. Ik ben in Amsterdam geboren en na korte verhuizingen heb ik tien jaar in Deventer gewoond. Daarna ging ik studeren in Den Haag, en toen ben ik hier terecht gekomen en heb me gewoon gesetteld. Ik wou uit het westen weg, vooral omdat ik een relatie moet hebben met het landschap. Mijn denken is eigenlijk begonnen, als het denken mag heten, met de architectuur, het werkelijk bouwen van de mens. Echt architectuur. Dat impliceert dat ik de Bijlmermeer voor honderd procent geen architectuur vind. Dat is een massagraf. Dat staat nu nog boven het opgespoten zand, maar dat kunnen ze met plechtige orgelklanken gewoon in de grond laten zakken. De zaak in deze, dat ik met denken begonnen ben in de richting van de architectuur. Ik had een aantal dingen die ik gewoon zou willen. Ik wou architect worden, binnenhuisarchitect, een heleboel dingen, die me allemaal interesseerden, wilde ik gaan doen. Ik was een jaar of zestien en ik vroeg me af wat het nu toch zou moeten worden. Op het laatst heb ik het toch gezet op dat tekenen, met in mijn achterhoofd heel zeker de wetenschap : ja, dat heeft te maken met vormgeving, dat heeft ook te maken met die relatie met je omgeving. Met al die dingen ben je eigenlijk bezig als je tekent. Dus ik dacht, goed, dan pak ik dat maar. En in de familie zat het ook wel wat. Ik heb een broer die botanicus is, ik zat zelf bij de N.J.N. en ik heb een broer in Canada, die eigenlijk ook weer met die natuur zat. Het zat ook in het gezin. Maar doordat ik die studie deed, raakte ik het patroon van die wezenlijke dingen wat kwijt. Ik moest die studie afmaken. Hier kwam ik weer in contact met de natuur. Ja, ik werd hier tekenleraar. Het had ook Drente kunnen zijn of Limburg, als het maar buiten de randstad was. Dat baantje doe ik gewoon om aan de gang te kunnen blijven, dat is de kurk waar ik op drijf, waardoor ik ook onafhankelijk van iedereen ben. Ik kan nu gewoon dingen beweren, in bepaalde vakken, waarvan andere mensen, waar ik veel mee omga, zeggen : dat kan ik niet zeggen, want dat vindt mijn baas niet goed. Ze lachen zich wel beroerd om de manier waarop ik sommige mensen enorme dingen naar hun kop slinger, maar zelf kunnen ze dat niet doen. De manier waarop ik bezig ben geeft eigenlijk goed aan waar ik aan denk. Ik vind, en dat propageer ik ook steeds, dat deze economie die wij bouwen, gewoon vanuit haar systeem financieringen moet losmaken om een ander systeem aan het werk te krijgen. onmondig Een mens is het product van cultuur en natuur. Daar kun je over theoretiseren, maar je kunt ook kijken hoe je tegenover de natuur bent komen te staan. Dan ontdek je al gauw, dat je je het beste bescheiden kan opstellen en het handelen voornamelijk aan de natuur moet overlaten. Natuurlijk, ik doe ook wel eens iets in de tuin, maar zulke handelingen zijn altijd ondergeschikt. Wat je voorgangers fout gedaan hebben, moet je weer herstellen : de egalisering moet je ongedaan maken, de stenen terugbrengen, want die hebben zij er allemaal uitgegooid, generaties lang, en de diversiteit moet weer groeien. Die fouten zijn afgeleid van de handelingen van de boeren. Maar die boeren zijn economen, die zijn geconditioneerd en produceren. Het is de mensen aangepraat. Er is een cultuur ontstaan waarin geen alternatieven meer mogelijk zijn. Er zijn dus ook geen vergelijkingsmogelijkheden. Ze krijgen allemaal foldertjes van tuinarchitecten in huis. En ze worden verder gemanipuleerd, er wordt nog een grote dreun achteraan gegeven. Dan wordt er gedaan alsof het 'Keukenhof' een prototype is. En daar gaan ze dan met miljoenen naar toe. De mens krijgt gewoon geen kans meer, dat is de hele zaak. Dat onmondig maken, hé, verantwoordelijkheid ontnemen en laten delegeren. Wij gaan af op de woorden van doctor die en zus en zo, die het wel zal weten. Er is dan iemand die zegt : hou nou je mond, want wij doen het wel voor je. En dat is nu iets wat ik van niemand meer accepteer. Ik doe het zelf. Ik wens niet dat iemand zich nog opstelt tussen mijn relatie met een wetgeving die hoger en breder en veel gezonder is. Nu ik in de dertig jaar dat ik bewust bezig ben, gezien heb dat overal waar de mens bewust radicaal ingrijpt, alles is fout gegaan. - U kunt niet alles alleen doen. Er zijn verworvenheden waar u van profiteert. Er worden u diensten aangeboden waar u niet buiten kunt. U koopt brood bij de bakker, omdat u zelf geen graan verbouwt. We moeten ook niet terugdraaien, maar omvormen. Een andere cultuur starten. Maar het is een essentiële vraag : welke dienst heb ik nodig. We moeten wel meteen die eindeloos onzinnige fout inzien die we gemaakt hebben, ecologisch, wat ons voedsel betreft. De mens zou als inbreng voor zijn leeftocht zijn arbeid direct in het ecologisch proces moeten terugbrengen. Dat doet hij niet, en daarom gaat hij nu trimmen, ook al zo'n verspilling. Een mens is tot alles in staat, hij kan alles, hij weet alles, hij kan ook alles zelf maken. Dat hebben we allemaal weggeredeneerd. We hebben gezegd : ga maar naar huis toe, we zetten overal machines tussen, die doen het vlugger dan jij, dan heb jij vrije tijd. Daar zit de grote fout. Niet alleen ontstaan overal monoculturen, omdat die machine maar op beperkte voorwaarden zijn werk doet. Moet de grond helemaal vlak gemaakt worden ? Nee, er is niet alleen het energieverlies van die machine en van de man die daar weer zinloos voor moet zorgen, die machine moet na een geplande leeftermijn ook weer vervangen worden. Dus in het proces waaraan de mens van nu tot aan zijn dood zou kunnen deelnemen als hij mondig verklaard zou worden, daar worden nu zes machines tussen geschoven. Want je moet toch meegaan met je tijd. Dan praten ze over aanbieden van diensten. Maar wel op voorwaarde dat de mens zich ondergeschikt maakt aan de economie. Ik zeg : mag ik het zelf doen ? Nee, hoor ik dan, want dan gaat onze economie kapot. Alles zelf gaan doen. Door dat te eisen. Door ervan overtuigd te zijn dat iedereen mondig is. diversiteit De mens moet de relatie met zijn natuurlijke omgeving en mogelijkheden opnieuw vinden. Hij moet de diversiteit van de natuur op zich laten inwerken en zich er niet van afkeren. De steden, die gelukzalige eilandjes van schone schijn, moet hij openstellen voor de natuur. Hij moet alles zelf aanpakken. Hij moet geen huis voor zich laten bouwen. Je kunt geen huis bouwen aan een tekentafel met een pen. Architectuur is ook bouwen in de tijd, je moet het met je eigen handen doen, erin rondlopen, een diversiteit laten groeien . Ik heb bewezen dat het kan. Dat als de diversiteit er is, de natuur wel wil. Op mijn stuk land heb ik van oud materiaal zelf een huis gebouwd om te bewijzen dat het kan. De gemeenten vormen op het ogenblik een stedelijke samenleving die eigenlijk gebaseerd is op twee componenten. Dat is dan een volkomen dictatoriaal systeem van het zetten van huizen, en dat wordt nog eens onderstreept door het van hogerhand bepalen hoe die huizen versierd worden, hoe beplantingen aangebracht worden. En dan krijg je een heel merkwaardig beeld. Wat mag die mens dan doen in die stad ? Hij mag zich er doorheen bewegen volgens aangeduide routes, hij mag er slapen, hij mag zijn geld inbrengen en hij moet ergens ver weg nooit dichtbij werken waar hij helemaal niet wil werken. Maar als hij buiten de aangeduide route stapt, dan stapt hij niet op zijn eigen grond, maar op die van het instituut de gemeente. Dat is een ambtelijke toestand die zegt : ga van mijn grond. Ik zeg dat is helemaal niet waar. Jouw ambtelijke functie os geconditioneerd aan het bestaan van die mensen hier. - Wat doe je daaraan ? Ik zeg dan dat ik zou willen dat de mensen met een creatieve instelling een inbreng krijgen op de terreinen waarop dat mogelijk is. Dat zijn bijvoorbeeld de tuinen. Zelf op open terreinen huizen bouwen. En dat jullie vanuit het gemeentelijke apparaat een zekere begeleiding blijven geven. jullie architecten en jullie mensen van de plantsoenendiensten zijn toch vaklui ? Alleen moet je de mensen niet zo begeleiden, dat ze dezelfde dingen gaan doen die jij zou gaan doen. Het is de bedoeling dat er in de steden diversiteit gaat ontstaan. En alle steden culmineren op het ogenblik naar een honderdprocentige monocultuur. De uitbreidingen in Heerenveen zijn identiek aan de uitbreidingen in Montevideo. En in Japan. Ze zijn ook monolieten, daar heb je het weer, ze hebben er alweer een term voor. Een monoliet, een blok, het opeenstapelen van mensen die geen enkele relatie hebben met wie of wat ook. En de arrogantie van die ene man, die wil voorschrijven wat al die anderen moeten doen! Dat is een supervorm van waanzin. paradijs Als je ze vraagt waarom de mensen niet zelf hun omgeving mogen inrichten, dan is het antwoord : ja, dat kunnen ze niet. Ik zeg : jij zegt dat ze het niet kunnen, laat die mensen gaan en laat dat een inbreng zijn waarop jij moet antwoorden. Zelf ga ik ook steeds uit van de uitdaging van de inbreng. Die is voor mij de activering van mijn eigen denken. Als ik die niet heb, dan staat mijn eigen denken op nul. Die diversiteit van inbreng is zo belangrijk. De mensen die leiding geven, moeten niet zoals in de dictatoriale economie zeggen dat iets gewoon niet kan, ze moeten die inbreng overtroeven. In deze zin, dat als er een gedachte opkomt om ergens zeshonderd bomen te planten, dan niet nee zeggen, maar tegenover stellen dat er uit eigen mogelijkheden nog een half bos naast gezet wordt. Dan is er geen werkverlies, geen energieverspilling, geen afbraak. Je moet dus net als bij het bouwen van de kathedralen vroeger, uitgaan van complexiteit. Zoals bij de Azteken ook gebeurde, zoals ook de Boroboedoer op Java is gebouwd. In de tuin die we in Heerenveen aanlegden, was een arbeider die iets niet begrepen had. Ik had wat uitgelegd, maar niets getekend. Dat is niet alleen tijdverlies, maar je kunt een tuin niet tekenen. Die groeit toch en verandert steeds. Architectuur ook. In de tijd van Berlage zeiden ze ook : de man die zelf bouwt en timmert, maakt het ding wel. Een drie weken later kwam ik kijken en achteraf begreep ik dat die man zat te wachten tot ik zou zeggen dat hij iets fout gedaan had. Ik heb hem uitgelegd dat dat niet kan bij mij. Dat is de afspraak. Op een misverstand ga je voortborduren. Het uiteindelijke resultaat was veel mooier en verrassender dan wat we oorspronkelijk gewild hadden. Ik zeg er wel eens bij : zo is het paradijs ook gegroeid , zo, en niet nagemaakt van een tekening. Het paradijs heeft ook diversiteit en in het paradijs wordt ook niet gewerkt. Daar bestaan geen schoffels of insecticiden. Als je even denkt aan die paradijselijke situatie, dan is wel te begrijpen waarom ik hier paradijselijk zit. samenhang Een gesprek met Le Roy is eigenlijk minder een gesprek dan een avontuurlijk college. Hij praat zonder aarzelingen. Eigenlijk is het steeds hetzelfde verhaal wat hij vertelt. Of, zoals hij zelf suggereert, een spiralenstelsel, waarin je steeds weer dezelfde gezichtspunten, onder een iets andere hoek gezien, tegenkomt. 's Avonds heeft Louis Le Roy een lezing in Groningen. Aan tafel maken zijn vrouw, en vooral zijn (jongste) dochter, opmerkingen over zijn uiterlijk. De maaltijd is niet vegetarisch of anderszins afwijkend van wat de algemeen geldende voedingsgewoonten in ons land betreft. Ook in politieke of religieuze zin is men in huize Le Roy niet 'geconditioneerd'. Op weg naar Groningen wilt Louis Le Roy zijn stem sparen, want hij heeft drieëneenhalf uur praten voor de boeg en wat last van heesheid. Maar hij slaagt er niet erg in. Op zijn land hebben we verschillende vegetaties gezien. De brandnetels die er gingen groeien nadat het gras omhoog geschoten was. En die nuttig zijn voor de omzetting van nitrieten in nitraten, of omgekeerd. En die door hun afscheiding het milieu toxisch maken voor zichzelf en daardoor na een aantal jaren verdwijnen. Dat is de reden waarom planten die het in hun eentje niet doen, wel willen groeien in een plantengemeenschap waar ze spontaan uit voortkomen. Alles leeft in een samenhang. De slakken die welig tieren, maar die de planten geen kwaad doen. Louis Le Roy is het moe daarover nog te praten, hoewel hij een ontdekking heeft gedaan waar twintig jaar observeren in heeft gezeten. Die slakken houden de stammen van de bomen algenvrij, waardoor overal op zijn grond glimmende basten zichtbaar zijn. Als het te droog wordt, trekken de slakken zich terug in de begroeiing onder de bomen en wachten daar rustig hun tijd af. Ze zijn niet agressief ten opzichte van de planten, zoals in geschoffelde en gewiede tuinen. mensen We praten over de tijd die met zijn tuin gemoeid is. Het is nu het negende jaar. Architectuur, zegt hij, moet je beleven in de tijd. Iedereen moet ook de mogelijkheid hebben om daarin zichzelf te hervinden. Hij ziet zijn tuin als architectuur, als een kathedraal. Maar die betonnen blokken, zegt hij, die we zetten, daar is voor niemand meer iets aan te doen. Je kunt alleen geld in een gleuf gooien en dan functioneert alles. Dat zijn die diensten die je door de economie worden aangeboden zonder dat je erom gevraagd hebt. Daar moet je voor betalen. En als ze zeggen dat je twee keer zoveel moet betalen, dan is er geen mogelijkheid om dat te controleren, dan moet je twee keer zoveel betalen. Ik weet ervan, want ik behoor tot de kleine tweeduizend Nederlanders voor wie alleen in de Amsterdamse Bijlmermeer onderdak was te vinden. Naast alle ongemak van de afstanden die gelopen moeten worden, gebrekkig functionerende gemeenschappelijke voorzieningen en piepkleine postbusjes, waardoor voor ieder pakje van enige omvang meestal een gang naar het hulppostkantoor nodig is, wordt in dit futuristische woonoord de dienst van een verplichte gemeenschappelijke autostalling aangeboden, die apart betaald moet worden, terwijl als uitgangspunt werd gesteld dat ook bezoekers die per automobiel arriveren, een parkeerbelasting aan de automaten verschuldigd zijn. Hij gnuift als ik zeg dat het er wel lekker rustig is. Volgens hem kan de hele wijk na voltooiing niets dan ellende geven. Plechtige orgelklanken en weg met dat massagraf wat hem betreft. Over de marginale landbouwgronden. Land dat met subsidie tot bouwland is gemaakt, dat met subsidie tot boomgaard is gemaakt, die met subsidie weer gerooid is, dat met subsidie tot grasland is gemaakt, land dat eigenlijk nergens voor deugt, dat verpest is, meer dan 150.000 ha. Op dit land zouden mensen gewoon hun gang moeten kunnen gaan. Er zijn mensen genoeg. En als ze hun gang kunnen gaan, dan zijn de meeste problemen met voedsel, drugs, seksualiteit, overbevolking en neurotische verschijnselen, gauw vergeten. In Groningen wachten in de aula van de universiteit een vierhonderd mensen. Leden en introducés van de Volksuniversiteit. Louis Le Roy is over zijn nervositeit heen. Hij loopt heen en weer, bespreekt projectiemogelijkheden met de amanuensis. In het publiek onderscheiden zich de grijze permanentjes van dames op leeftijd. Maar naast de minder uitgesproken kapsels en leeftijdgroepen is ook het met langer haar toegedane, al dan niet in ribcord gehulde volksdeel, ruim vertegenwoordigd. vrije tijd Louis Le Roy is een geheimzinnige die uit het struweel is opgedoken. Hij laat met lichtbeelden zien wat er in de loop van onze geschiedenis aan cultuur verdwenen is. Zijn verhaal zit goed in elkaar. Op tijd last hij een demagogische volzin in, of een grap, en als het verhaal te somber dreigt te worden verschijnen dia's in kleur. Niettemin, bomen verdwijnen sneller dan ze kunnen groeien, water, de moeder van het leven, wordt misbruikt, vervuilt en verzilt. Uit het landschap verdwijnen de spelonken, nissen, de microculturen. Hij geeft een overtuigend voorbeeld van hoe bij de bouw van een kathedraal op een gemaakte fout werd voortgeborduurd. De natuur is steeds minder uitgangspunt voor reaties, zegt hij, en emoties kunnen in een stad niet meer geuit worden. Gewoon het feit dat er in de stad geen plaats meer is om rustig te zitten of om te vrijen, daardoor ontstaat spanning. De volkskunst, die een functie had, is verdwenen. Alles gaat nu via de meneer die het beter weet. De mensen mogen niets meer bedenken, de meesten zijn zich niet eens meer bewust dat dat zou kunnen. De enorme betonnen flatgebouwen geven geen menselijke verhoudingen meer. Ze zijn gebouwd door hijskranen. In stilte rees het beton op. Eromheen is geen leven. Wie zich in de buurt waagt, krijgt de neiging weg te kruipen. Een mens, zegt hij, die in een gesloten economie werkt, heeft vrije tijd. Een ander heeft alleen tijd. Op zijn land heeft hij nu 1800 bomen geplant. Dat was geen werk, zegt hij, want het bracht geen geld op. Hij vertelt, als pessimist met zijn tuin begonnen te zijn. Begonnen, want 'als het niet kan, dan wil ik meemaken waarom niet'. Na negen jaar blijkt dat zijn hypothese werkt. Architecten roept hij toe : eerst het bos laten groeien, dan de flats bouwen. Chemici roept hij toe : Voordat jullie denken dat jullie alles kunnen maken, maak dan voor mij één korrel aarde. Louis Le Roy is een individualist, eigenzinnig en geïnvolveerd. Hij heeft besloten te laten weten wat er in hem leeft. Hij wil ervaringen overbrengen en inzichten. En hij vindt een uitgebreid gehoor. Want hij heeft een paar toeven in handen. Artikel 2 (over Louis G. Le Roy) Pas gebouwde huizen stopte Louis Le Roy onder het klimop, grasvelden laat hij overwoekeren door distels en op braakliggende stukken grond laat hij het onkruid welig tieren. Het beton in de stad zou hij het liefst eigenhandig met de drilboor te lijf gaan. Maar al te graag zou hij heel Europa met oerwouden bebossen. Dat kan hij echter niet in zijn eentje bereiken. Daarom raadt hij zijn vrienden en kennissen aan om de wildgroei van planten en bomen te bevorderen. Op korte tijd werd de tuinierende natuurfilosoof de voortrekker van een nieuwe, 'groene' levensfilosofie. Hij zet zich af tegen een wereld die tot de laatste vierkante centimeter deel uitmaakt van een bestemmingsplan. Ambtenaren van het kadaster ziet hij liever met andere zaken bezig zijn dan met ons milieu. "Laat de natuur liever haar gang gaan", zegt Louis. Hij woont in Heerenveen, een provinciestadje in Friesland. De meeste huisjes en tuintjes liggen er ordentelijk bij : een fris gesnoeide heg, kort afgemaaide grasperkjes, keurige tulpen, geen sprietje onkruid en nergens het gezoem van insecten. Tussen al deze 'modeltuintjes en -huisjes' staat de boerderij van Louis Le Roy, overwoekerd door planten en struikgewas. Door al dat groen wordt het huis bijna aan het oog onttrokken : ik moet mijn kijkers goed de kost geven om het boerderijtje erin te ontdekken. Maar plots stapt mijn gastheer vanachter een klimopgordijn tevoorschijn. Door de wildernis leidt hij mij binnen in zijn huis. Eenmaal binnen zetten we ons aan een grote ronde tafel uit mahoniehout. Op die tafel liggen schelpen, versteende wortels, flessen, potten en planten kriskras door elkaar. Van hier uit is het uitzicht op Le Roy's 'jungle-tuin' enig mooi. Vlak voor het venster van de woonkamer groeien aronskelken met bladeren zo groot als een vloermatje. Braambesstruiken en varens groeien er dooreen en op een afgestorven boom slingeren wilde klimplanten zich naar boven toe. Op een stevig uit de kluiten gewassen scheerlingplant zitten dikke, bruine slakken. In deze omgeving schrijft de voormalige leraar boeken over een mensvriendelijk milieu. Le Roy's boek 'Natuur uitschakelen, natuur inschakelen' is samen met het boek van de Zwitser Urs Schwarz 'De natuurtuin' uitgegroeid tot een soort Nieuw en Oud Testament, een Bijbel kortom, voor liefhebbers van wilde plantengroei. Vroeger in zijn jonge jaren liep ie al rond met heel eigen ideeën over milieu en de bescherming ervan. Om zijn ideeën in de praktijk te kunnen brengen, nam hij vervroegd pensioen en werd hij 'ecologist'. "Met een minimum aan arbeid bereik je ongelooflijke resultaten," stelt Le Roy. "Mijn stelregel is dan ook : laat alles groeien wat groeit. De natuur ordent zich wel vanzelf. De mens moet er zoveel mogelijk met z'n vingers af blijven." En terwijl hij naar de wildernis voor zijn huis wijst, gaat hij verder :"Vroeger lag hier een braaf grasveldje voor de deur. Monocultuur dus, eentonig en giftig omdat elke monocultuur de bodem uitput. Om onze aarde weer gezond te maken, moeten we terug verscheidenheid aanbrengen." de middenberm ziet er nu uit als een jungle! Zo'n vijftien jaar geleden kieperde Le Roy tot grote verwondering van zijn buurman een karrenvracht puin van bouwwerken op zijn sierlijk grasperkje. Hij verdeelde de brokken puin over heel het grasveld en strooide er zaden van planten over. Die zaden had ie voor een groot deel tijdens wandelingen gewoon uit de berm gehaald. Hij plantte ook nog wat heesters, struiken en bomen, kriskras door elkaar. Zoals gezegd was dat vijftien jaar geleden en sindsdien heeft Le Roy geen noemenswaardige arbeid meer verricht in zijn tuin. Geen gespit of gemest meer en vooral geen giftige sproeistoffen. Distels die in 'nette' tuintjes met wortel en al worden uitgeroeid, bleven in Le Roy's tuin staan. Hele drommen kleurrijke vlinders kwamen er op af, omdat distels heel wat voedingsstoffen voor ze bevatten. En op hun beurt trokken de vlinders, rupsen, wormen en slakken, weer hongerige vogels aan. Zelfs hagedissen, die nog zelden in Noord-Europa voorkomen, voelen zich de koning te rij in Le Roy's 'jungle'. Een smal wegeltje door de tuin groeit net niet dicht, alleen maar omdat het dagelijks bewandeld wordt. Takken, struiken of planten die het pad dreigen te overwoekeren, wil Le Roy af en toe nog wel eens wegsnijden. Maar die laat hij dan ter plekke rotten, zodat het rottende loof een goede voedingsbodem wordt voor de andere planten. "Het omspitten of omploegen betekent geen verrijking van de grond, integendeel," beweert Le Roy. "De oerwouden op deze aarde zijn toch ook uit zichzelf ontstaan zonder enig menselijk ingrijpen. Met mijn 'jungletuin' wil ik aantonen dat een door monocultuur uitgeputte grond met een beetje inspanning weer vruchtbaar kan worden. Door eerst steengruis en afval van afgebroken huizen over de grond te verdelen versnel je het hele proces nog. dan krijg je een heel gunstig micromilieu dat water vasthoudt. Bovendien zijn de nissen en spleten tussen de brokken steen ideaal voor de groei van de meest uiteenlopende planten en insecten." De vrees dat hij van heel Europa terug één groot oerwoud wil maken, wijst Le Roy resoluut van de hand. "Ik pleit er alleen voor dat we de braakliggende stukken grond, de grasperken voor openbare gebouwen, de groenstroken naast de wegen en de middenbermen tussen de autosnelwegen in een jungle herscheppen. We kunnen misschien eens een kijkje gaan nemen in het centrum van Heerenveen, want daar zijn we volop aan het experimenteren." In de stad laat hij mij het resultaat zien van zijn werk : de middenberm tussen de twee rijrichtingen van de Kennedylaan ziet er net uit als de jungle in zijn tuin. "Kijk," zegt Le Roy niet zonder trots, "deze berm is een kilometer lang en dertien meter breed. In 1966 zag die smalle strook er nog uit zoals alle middenbermen, waar ook ter wereld : zielige grassprietjes, verdord en vergeeld, hondenpoep en overal papiertjes, plastiek afval en meer van de rotzooi. En nu is het één gezonde mooie strook natuurgebied!" Vijftien jaar geleden kreeg hij van het stadsbestuur de toelating om de grasstrook om te toveren in een 'ecologische tuin'. Eerst liet hij de berm volstouwen met afval van afgebroken gebouwen, daarna vertelde hij de werklui om niet volgens één of ander aanlegplan te werk te gaan, maar gewoon naar eigen goeddunken. Op die manier ontstonden er verschillende niveaus, hoog en laag. In de terreininzinkingen werden kleine vijvertjes aangelegd, bruggetjes eroverheen voor de wandelaars. In die chaos lieten de arbeiders dan bomen, planten, struiken en bloemen groeien. En nu groeit er midden op de Kennedylaan in Heerenveen een prachtig woud. Wie er 's zomers gaat wandelen, ziet het verkeer aan beide kanten nauwelijks. Het bladerdak is zo dik geworden dat je de voorbijrazende auto's nauwelijks hoort. De bewoners van de flatgebouwen kijken nu niet meer op het grijze, troosteloze beton van de building aan de overkant, maar op een verkwikkende strook groen. de bewoners schiepen hun eigen 'tuindorp' Eigenlijk wil Louis Le Roy nog verder gaan. Hij zou graag zien dat er in elke stad experimenteerruimtes kwamen, waar de burgers hun eigen creativiteit op het milieu zouden kunnen botvieren. Waarom zou men het niet aan de mensen zelf overlaten om tenminste een deel van hun milieu zelf vorm te geven ? Zo'n initiatieven waarbij de mensen zelf gaan graven, zaaien en planten, geven niet alleen kleur aan onze betonnen leefwereld. Ze zorgen ook voor een enorme geldbesparing. Het Groningse stadsbestuur bijvoorbeeld bespaarde 38 miljoen frank op die manier. Dat geld wilde het bestuur besteden aan een recreatiegebied in de buurt van de stad. Maar op aanraden van Le Roy zag men daarvan af. Het werd helemaal aan de bewoners overgelaten om hun eigen omgeving vorm te geven. De stad zorgde wel voor materiaal, planten en zaaigoed, maar dat kostte niks meer dan het jaarlijkse onderhoud van het stadspark. Het experiment in Lewenborg, een voorstadje van Groningen, startte in 1972. Ondertussen ontstond er één van de interessantste en milieuvriendelijkste groenstroken uit heel Europa. Brede grachten, die toch nodig waren als overloopbekken voor een kanaal, werden op zo'n manier aangelegd dat er vijvers ontstonden. Wilde eenden en verschillende soorten watervogels hebben er nu hun broedplaats. Het terrein werd opgehoogd, er kwamen heuveltjes in het landschap dat beplant werd met klaver, wilde bloemen, struikgewas en duizend snel groeiende bomen, vooral wilgen. Nu is alles al door elkaar gegroeid en verstrengeld en op het eerste gezicht lijkt het een echte woestenij, een jungle in de beschaafde wereld. In het begin kwam het werk moeizaam op gang omdat de mensen uit Lewenborg geen blijf wisten met die plotse vrijheid. Enkele projecten bleven onafgewerkt liggen, maar Le Roy die alles coördineerde, liet zich daardoor niet ontmoedigen. "Alles gebeurt in los verband, het hoeft ook niet op tijd klaar te zijn. Met welk recht zou ik de mensen opjagen om verder te werken aan het project ? Als iemand er geen zin meer in heeft, dan zeg ik gewoon : Oké, vriend, als je wil, kom je binnen een jaar of tien nog maar eens terug." Op dit moment bestaan er zo'n twintigtal vrijwilligersgroepen die hun vrije tijd besteden aan het 'Democratisch tuinproject van Lewenborg'. Iedereen beweert dat ie er groot plezier aan beleeft om zijn eigen ideeën in de praktijk om te zetten. Bovendien ontstaat er een beter sociaal contact tussen de bewoners omdat ze samen in de weer zijn. Per slot van rekening wonen ze nog maar enkele jaren in de nieuwbouwwijk van Lewenborg, maar haast iedereen kent iedereen. Op een koude, regenachtige dag neemt Louis Le Roy me mee naar Lewenborg. De vrijwilligersgroepen hebben niet alleen een jungle aangelegd, ze hebben ook een heleboel sociale voorzieningen uit de grond gestampt. Speelplaatsen voor de kinderen, een klein amfitheater waar ze zelf toneel kunnen spelen in open lucht, aanlegsteigers voor roei- en andere bootjes en barbecue-stellen waar de families uit de buurt op zonnige avonden feestjes organiseren. Op een open plek in de 'jungle' van Lewenborg, kunnen de kinderen gratis voor niks met pony's rijden. In het begin rezen daar sterke bezwaren tegen omdat de pony's de bloemen in de privé-tuintjes wegvraten, maar toen er een wal rond de ponyboerderij werd aangelegd, waren ook die hindernissen uit de weg geruimd. In een stil hoekje van het 'tuindorp' stoten we op enkele volkstuitjes. Ook dat is toegelaten : wie maar wil, kan op de grond van het domein groeten, fruit of bloemen kweken. En als je tuin aan de 'jungle' grenst, kan je die rustig doortrekken tot op de openbare grond, op voorwaarde dat je hem niet afrastert. "Wat hier aan de gang is, doorbreekt de eentonigheid van het stadsleven," filosofeert Martin Duisterwinkel, die het Lewenborg-project begeleidt. "Tegelijk proberen we met dit experiment de solidariteit tussen de bewoners te stimuleren. De problemen de er rijzen tussen de inwoners van een nieuwbouwwijk, lossen ze nu grotendeels zelf op." En Le Roy voegt daar tot slot nog aan toe :"Vrijheid is het allerbelangrijkste wat mensen hebben. Hier kunnen ze doen en laten wat ze willen. Hun ideeën groeien net zo snel als de planten. Waarschijnlijk ontstaat er uit deze chaos een nieuwe cultuur, een nieuwe levensstijl zelfs!" Artikel 3 (over hovenier Beyer) "Het contact tussen binnen en buiten moet optimaal zijn", aldus de heer Beyer, hovenier in Deventer, doelend op het contact tussen interieur en tuin. De inrichting van zijn huis of beter het ontbreken van vitrages, gordijnen en planten voor de ramen, bekrachtigen zijn woorden. Ook het terras ligt niet vlak achter het huis, maar een stuk verder de tuin in. Op het oog is de tuin van de heer Beyer een 'wilde' tuin van de la-maar-groeien-opvatting. Het tegendeel is echter waar. Mensen die zo'n la-maar-groeien-tuin willen, omdat die zo gemakkelijk in het onderhoud is, komen bedrogen uit. Het eist namelijk wel de nodige tuinierervaring om hem goed te kunnen begeleiden. Maar zit tuinieren in je vingers, dan heb je er niet meer werk aan, dan aan een gewone grastuin. Alleen de werksfeer is anders. Een grastuintje moet op tijd gemaaid worden, terwijl in zo'n oerwoudje niets moet. Als je vandaag geen tijd zou hebben om hem bij te houden, kan je het ook morgen, overmorgen of zelfs een paar weken later. Een verdwaalde boterbloem of brandnetel valt in zo'n tuin niet op. Deze 'wildernis' ligt er pas vier jaar. "Toen onze kinderen nog klein waren", vertelt de heer Beyer, "hadden we een gewone grastuin. Kinderen moeten kunnen spelen en in onze tegenwoordige tuin zou dat onmogelijk zijn." "Ik heb de tuin in één keer opgezet", gaat hij verder, "en nadat er één zomer over heen was gegaan groeide en bloeide alles al. Nu heb ik dan ook een tuin die past bij mijn ideeën. Van nature ben ik namelijk een echte tuinman, een natuurliefhebber in hart en nieren, die altijd met de natuur bezig is. In vergelijking met een stukje monocultuurgras, waar je alleen maar kan maaien en randjes bijknippen, kun je in deze tuin experimenteren, je lekker uitleven." "Ik heb destijds met zorg de planten uitgezocht, geen planten met al te felle kleuren, dat zie je tenslotte in de natuur ook niet. Ik hou van grijs, roze, zachtblauw en dan mag er sporadisch ook wel rood tussenstaan. Er staan veel vaste, gecultiveerde planten in de tuin, waarvan ik het gebruik als een uitdaging zie, omdat ook zulke planten een wilde, natuurlijke indruk geven." Ondanks dat de tuin een bewuste opzet heeft, kom je steeds weer voor verrassingen te staan, de tuin staat er allang niet meer bij zoals in het begin, hij blijft zich ontwikkelen. Sommige plantensoorten groeien te hard en kunnen gaan overheersen, anderen komen weer helemaal niet mee, dus moet je de natuur constant begeleiden. "Ook een vennetje in mijn tuin vind ik vreselijk fijn", aldus de hovenier, "water fascineert me, het is sfeervol, het leeft, er kriebelen allerlei gekke beestjes in. Water hoort in de natuur." De heer Beyer :"Je moet niets weggooien, en dat zie je met die grond van het vennetje, dat heb ik toch weer kunnen gebruiken. En neem nou die palen van het terrasje. Ze zijn uit het bos gehaald na de novemberstorm van vorig jaar. De palen zijn niet geïmpregneerd, vandaar dat ze wel langzamerhand vermolmen. Maar juist omdat het geen keurig afgeschaafde palen waren vond ik het leuk om ze te gebruiken. Ze leven als het ware. Er vallen steeds stukken schors van af en er groeien paddestoelen op. De keien in de tuin heb ik bij een kleifabriek gehaald. Voor de fabriek zijn die keien afval, ze gebruiken ze verder niet. Ook in tuincentra kun je ze kopen, ze zijn alleen wat lichter van kleur, die zogenaamde 'Maaskeien'. Ik hou er dus van om eenvoudige en natuurlijke middelen te gebruiken, maar dan moet ook alles wel zo natuurlijk mogelijk liggen, zoals in deze tuin de keien liggen alsof het een droge rivierbedding is." "Alle soorten tuinen, zelfs een pijpenla, kunnen het karakter van een 'wilde' tuin krijgen. Steeds meer mensen geven dan ook de voorkeur aan zo'n tuin. Maar voor anderen heb ik afgedaan als tuinman, die vinden zo'n rommeltuintje maar niets. Maar voor mij geldt, dat je met een 'wilde' tuin, een stukje levende natuur heel dichtbij huis haalt." Artikel 4 (Eddy Vanoppen, BvL) Waarschijnlijk is het zeldzamer worden van veel plantensoorten één van de oorzaken van de toenemende belangstelling om wilde planten in tuinen, heemtuinen en wegbermen te planten en te zaaien. Dat is natuurlijk prettig, mits niet allerlei zeldzaamheden uit de vrije natuur worden gehaald. Het is trouwens niet nodig, omdat de meeste wilde planten voortreffelijk uit zaad te kweken zijn. Ze vermeerderen zich ook zo in de vrije natuur. Uitzonderingen op deze regel zijn bijvoorbeeld Kalmoes, een uit Oost-Azië afkomstige plant die hier geen rijpe vruchten vormt, en Waterpest, een plant uit Noord-Amerika die in ons land alleen met vrouwelijke bloempjes aanwezig is. Op plaatsen waar van een zeldzame plant een behoorlijk aantal voorkomt, kunt u zonder gewetensbezwaren wat zaad 'oogsten'. Veel hebt u er niet van nodig om aardig wat plantjes te krijgen. Verder kunt u misschien planten of zaad ruilen met andere liefhebbers, met beheerders van heemtuinen. Bovendien hebben sommige kwekerijen wilde planten. Vast staat dat vele tuinliefhebbers genoeg hebben van 't gegeven 'gazonnetje-bordertje-boompje-zitje'. Een wilde tuin is echter niet zo eenvoudig als het vak wordt gesuggereerd. De teleurstellingen zijn vele, want meestal groeit uit verwildering uitsluitend verwaarlozing. Al te dikwijls zien we dan ook dat de hele wilde boel wordt opgeruimd om toch weer plaats te maken voor een 'keurige' tuin. En dat is jammer, want het kan wel. Maar je moet er van uit gaan dat ook een wilde tuin veel onderhoud nodig heeft. Wie gekweld uitroept : "Ik heb zo weinig tijd dat ik alleen een wilde tuin wil", die kan beter zijn lapje grond met fraaie tegels plaveien. Een plantvakje hier, een vogelbakje daar, klaar is de tuinman. Want een wilde tuin die eist inzicht, geduld en nog wat tijd ook. Minstens zoveel als de normale cultuurtuin. Wat een spanning, wat een ontdekking en wat een plezier kan zo'n brokje wild groeisel het hele jaar door opbrengen! Sommigen willen in een wilde tuin uitsluitend of vrijwel uitsluitend planten uit de Belgische flora zien bloeien. Voor anderen is een wilde tuin er één waar allerlei planten, zowel exotische als inlandse hun gang kunnen gaan. Een aards gevecht : het recht van de sterkste zal hier gelden. Kombineren van planten voor verwildering in een uitermate boeiende maar ook zeer moeilijke bezigheid. Ik zei het al : alleen de allersterkste kunnen zich handhaven. Welke dat zijn, hangt af van de omstandigheden, die per geval verschillen. Daar kunnen we alleen achter komen door zelf te experimenteren. Hoogstens kan ik wat aanwijzingen geven voor planten die het proberen waard zijn. Zo zullen allerlei varen-soorten, maagdenpalm, Lievevrouwebedstro, zenegroen, epimedium-soorten, dalkruid, gele dovenetels, Hota, longkruid, Tiarella, maarts viooltje en mansoor in tuinen in een bosrijke omgeving het erg naar hun zin hebben. Op natte plaatsen zullen sleutelbloemen, moerasspirea, Siberische lis, moeraswolfsmelk, penningkruid, dotterbloem, geitenbaard en vele andere goed aan hun trekken komen . Wat op droge, arme zandgrond goed uit de voeten komt, kunt u zelf in de duinen gaan bekijken. U ontmoet daar slangenkruid, teunisbloem, toorts, duinroos, kruipwilg, walstro, duizendguldenkruid, eikvaren, hondstong, koekoeksbloem en vele andere . U ziet het : ik heb mij bij het noemen van soorten niet bepaald tot inlandse soorten beperkt. Dat hoeft ook niet, dacht ik. Voor een wilde tuin zal de normale grondbewerking niet al te intensief mogen zijn. Wel zal hier en daar variatie in het bodemprofiel kunnen worden aangebracht. Nattere plekjes en droge stukjes kunnen zo worden gemaakt. Bemesting, zelfs organische, kan achterwege blijven. Bij de aanleg zullen we moeten beginnen met een aantal soorten waarvan we zeker weten dat ze succes zullen hebben. Kies ze zorgvuldig en breidt de collectie langzaam maar zeker uit. Enkele zullen mislukken, andere gaat het direct goed af. Begeleid de beplanting, cirrigeer, vul aan en vooral : kijk wat er gebeurt. In een wilde tuin is de vormgeving secundair. De planten zelf moeten, met uw hulp, de tuin gaan vormen . Leg hier en daar wat boomstronken . Plant ook varentjes en ook mansoor. De paden mogen natuurlijk niet van betonmateriaal zijn. Houtsnippers, boomschors of boomschijven passen beter bij het geheel. Gazons, een exponent van de verzorgde tuin, mogen natuurlijk niet in het plan worden opgenomen. Wel kunt u werken met een bloemweide of dergelijke. Ook hier en daar een muurtje stapelen van oude handvormsteentjes. Misschien kunt u hierop muurvaren, muurleeuwenbekjes of tongvaren aan 't groeien krijgen. Tekst 5 (ter overweging) In de tuin behoort de natuur meester te zijn en is de eigenaar de leerling. De leerling is bij de meester op bezoek. Als gast onderwerpt men zich aan de regels van de heer. BIBLIOGRAFIE Renaat Braem, HET LELIJKSTE LAND TER WERELD, Uitg. Davidsfonds Leuven, 1968 Neil Postma, WIJ AMUSEREN ONS KAPOT, DE GEESTDODENDE WERKING VAN DE BEELDBUIS, Uitg. Het Wereldvenster, 1986 Simon Mari Pruys, DE PARADIJSBOUWERS, ANTI-KUNSTZINNIGE OPMERKINGEN OVER DE GEBOUWDE OMGEVING, Uitg. Het Spectrum, 1974 Aldous Huxley, HEERLIJKE NIEUWE WERELD Geschriften van Pater Luc Versteylen J.L.Talmon, ROMANTIEK EN REVOLUTIE, EUROPA 1815-1848, Uitg. W. Ten Have, 1969 Norbert Lynton, DE MODERNE WERELD, Gaade's Wegwijzers door het rijk der kunst, Uitg. Gaade, 1966 Penny Sparke, Felice Hodges, Emma Dent Coad, Anne Stone, DESIGN BRONNENBOEK, Uitg. Gaade, 1986 W. Braun-Feldweg, INDUSTRIËLE VORMGEVING, Marka-boeken, Uitg. Het Spectrum, 1969 Egmond/De Poel, KUNSTBESCHOUWING, Uitg. Wolters-Noordhoff, 1985 Italo Cremona, DE WERELD VAN DE JUGENDSTIL, Uitg. Diogenes, 1964 L. Van de Broeck, S. Debersaques, R. Geivers, M. Van Haesebrouck, L. Geerinckx, 'N KIJK OP KUNST, Standaard Educatieve Uitg., 1988 KOERIER, tijdschrift van Unesco Magdalena Droste, BAUHAUS, Uitg. Taschen/Librero, 1994 Carsten-Peter Warncke, DE STIJL, Uitg. Taschen-Librero, 1990 P. Koppers en W. De Winter, TEKENEN, LEREN OF LATEN ?, uitg. Cantecleer, 1979 K.-L. Elno, RUIMTE EN BEELDING, Uitg. Heideland, 1965 K.-L. Elno, DE VORM DER DINGEN, Uitg. Heideland, 1965 Jan Tanghe, Sieg Vlaeminck, Hugo Vanderstadt, WONEN OF WIJKEN ? CIAUD/ICASD Informatiecentrum voor Architectuur, Stedenbouw en Design, 1978 Louis G. Le Roy, NATUUR UITSCHAKELEN, NATUUR INSCHAKELEN, Uitg. Ankh-Hermes, 1973 Louis G. Le Roy, UILENSPIEGELTJES, Uitg. Ankh-Hermes, 1984 R. Blijstra, WIJ WONEN, WONEN WIJ ?, Uitg. Zwarte Beertjes Bruna, 1967 Professor Liebrecht, Cursus ‘EEN KLEINE LEVENSFILOSAFIE' Geert Bekaert, Francis Strauven, BOUWEN IN BELGIË 1945-1970, Nationale Confederatie van het Bouwbedrijf, 1971 |